Romeinse legioenen
De Romeinse legioenen hadden een complexe structuur en bestonden uit verschillende hiërarchische niveaus en eenheden. Elk legioen was verdeeld in tien cohorten, waarbij de eerste cohort de sterkste en best getrainde was. Elke cohort was verder onderverdeeld in centurions, die bestonden uit ongeveer 80 tot 100 soldaten en werden geleid door een centurion. De kleinste eenheid was het contubernium, een groep van acht soldaten die samen leefden en vochten. Naast infanterie hadden de legioenen ook ondersteunende eenheden zoals cavalerie (equites) en hulptroepen (auxilia), die vaak bestonden uit niet-Romeinse bondgenoten en gespecialiseerde vaardigheden hadden zoals boogschieten of close combat. De wapenschilden of signa van de legioenen hadden vaak symbolische voorstellingen die eenheid en moed symboliseerden. Veel voorkomende symbolen waren de adelaar (aquila), die werd beschouwd als een teken van eer en Romeinse trots, maar ook mythische dieren of godheden die bescherming en kracht symboliseerden. Elk legioen had een specifiek symbool en vaak een nummer en een naam, bijvoorbeeld Legio X Gemina (het “tweelinglegioen”). De standaarden waren vaak rijkelijk versierd en werden trots gedragen op het slagveld en tijdens parades.