Vrouwenfiguur (bellen blazend), als allegorie van Christian Peter Wilhelm Beuth, rijdend op Pegasus boven een industriestad, Karl Friedrich Schinkel De achtergrond van dit schilderij wordt gevormd door een uitgestrekt industrielandschap, bezaaid met vierkante vormen van fabrieken, hoogovens en rokende schoorstenen, en doorsneden door een druk kanaal dat als verbinding met de rivier dient. Op de voorgrond zien we een heel ander beeld, dat tevoorschijn komt door een trechtervormige opening. De blik is gericht op een hoek van Beuths werkkamer, waar we een stapel dossiers zien met de dossiers van zowel de Vereniging voor Handel en Industrie als de Vereniging van Berlijnse Kunstenaars. Boven deze "denktank" zweeft een vrouwenfiguur, gezeten op Pegasus, die bellen blaast terwijl ze vliegt. Net als het licht dat in Beuths werkkamer brandt, symboliseert de vrouw de kracht van inspiratie. Voortgekomen uit deze creatieve geest, lijkt de groep allegorische figuren te worden opgetild door thermiek, opstijgend op de warmte van beneden - een motief dat Schinkel wellicht kende van het Pinetti Theater. Tijdens het directeurschap van Johann Carl Enslen vanaf 1796 gaf dit theater aanleiding tot een aantal voorstellingen met 'aerostatische acts', waarvan één de 'Ruiter' op Pegasus heette (afgebeeld in Schulze Altcappenberg 2012). Schinkels beeld van Pegasus is dus gelaagd, met thema's en motieven die putten uit een verscheidenheid aan historische en culturele bronnen: van de oude mythologie tot visualisaties van de toekomst, van
