Frankrijk, 1894
Gauguin keerde terug van zijn eerste verblijf in Tahiti (1891-1893) om bijna twee jaar in Parijs te verblijven, waar hij dit werk schilderde. De exotische wereld van Oceanië had de verbeelding van de kunstenaar geprikkeld door de harmonie tussen mens en natuur, met wat hij zag als het behoud van de primitieve eenvoud. Dit werk brengt zijn herinneringen aan Tahiti en zijn romantische dromen over de harmonie van allen op aarde in beeld. De Tahitiaanse meisjes symboliseren verschillende levensfasen. De jonge eilandbewoner met de halo boven haar hoofd, diep in slaap, is de belichaming van maagdelijke zuiverheid, terwijl het tweede meisje met de vrucht in haar hand, klaar om een hapje te eten, is als Eva. In de diepten van het landschap dansen eilandbewoners rond een idool, een mysterieuze oude god. Het doek toont de zeer eigen stijl van de kunstenaar met zijn zuivere kleuren, toegepast in veralgemeende platte vlakken die, net als de lijnen, onderworpen zijn aan een enkel ritme.
